logoplaatje
titel: Bibliotheek
John Diamond, K. Omdat ook lafaards kanker kunnen krijgen

Het aantal egodocumenten dat jaarlijks wordt geschreven moet in de tienduizenden lopen. Gelukkig worden ze niet allemaal gepubliceerd. Wat overblijft en in de Nederlandse taal wordt uitgegeven, is echter nog steeds een imposant aantal. En er is een warme belangstelling voor dit genre. De honger om te weten hoe iemand anders gebeurtenissen in zijn of haar leven ervaart en/of verwerkt wordt erdoor gestild. Egodocumenten zijn daarmee een soort Catherine Keyl op schrift.

Een ziekte is een belangrijke aanleiding voor velen om een egodocument te schrijven. Het zou me niet verbazen als er over iedere ziekte of aandoening een egodocument bestaat. Kijken we naar de ernstige ziektes, dan gaat dit zeker op. Zoek boeken over depressiviteit, aids, autisme, ME, kanker of MS (om maar wat heftige zaken te noemen), en geheid dat er een ruime keus is aan boeken van ‘ervaringsdeskundigen’.

De liefhebbers van dergelijke boeken zijn in twee groepen te verdelen: zij die door eenzelfde ziekte zijn getroffen en steun en/of erkenning hopen te ontmoeten, en de gezonden die vanuit een mengeling van nieuwsgierigheid en voyeurisme geïnteresseerd zijn in het wel en wee van een ziek medemens. Ik behoor, voor zover ik nu weet, tot die laatste categorie.

Bestaan er hilarische egodocumenten over kanker? Ongetwijfeld. Maar tot voor kort kende ik er geen. Na het lezen van ‘K. Omdat ook lafaards kanker kunnen krijgen’ weet ik dat er op z’n minst één bestaat. De Britse journalist John Diamond, die onder meer een column over de medische wetenschap in The Times schrijft, heeft ‘plots’ kanker (eerst een geschubde celcarcinoom in de hals, daarna tongkanker) en komt voor de keus te staan: ga ik er in mijn column over schrijven, of doe ik dat niet? Hij kiest er wel voor en roept daarmee een enorme stroom lezerspost over zich af. Diamond is aan zijn auto aan het knutselen als de eerste postzak met reacties, naar aanleiding van zijn eerste column, aan huis wordt afgeleverd: ‘Ik was stomverbaasd.’ In de postzak zaten brieven van lotgenoten, van mensen die kanker hadden gehad en genezen waren en van mensen die geliefden aan kanker hadden zien sterven. ‘Er zaten zelfgemaakte beterschapswensen bij (wie had ooit gedacht dat The Times-lezers crêpepapier en plakplastic zouden gebruiken om een kaart te fabriceren voor een columnist die ze niet eens kenden?) en foto’s van jonge kinderen voor wie brievenschrijvers zichzelf, naar ze beweerden, dwongen beter te worden.’ De inhoud van de post grijpt hem erg aan: ‘Ik zat in de auto en las de brieven, en voor het eerst sinds de diagnose huilde ik.’ Nog lange tijd zou Diamond in zijn column over zijn kanker blijven schrijven. Vele brievenschrijvers noemen hem daarom ‘dapper’. Hij durft zijn ziekte openlijk te ondergaan, durft het taboe op praten over kanker te doorbreken, kreeg hij menigmaal te lezen. Maar Diamond vindt het niet dapper om over zijn kanker te schrijven: ‘Er niét over schrijven, dát zou pas dapper geweest zijn.’. Naar deze mening verwijst Diamond met het woord ‘lafaards’ in de titel.

Een paar van zijn columns staan in het boek afgedrukt. Deze columns vormen echter niet het aandeel dat zijn boek hilarisch of bijzonder maakt. Het boek is uniek door de blik waarmee Diamond naar zijn kanker kijkt. Vlijmscherp analyseert hij zowel zijn eigen verhouding tot zijn kanker als de reacties van zijn omgeving op zijn kankerstatus. Ook de radiotherapeutische behandeling die hij ondergaat wordt gedetailleerd beschreven. Datzelfde geldt voor de bijwerkingen: ‘Alles smaakt naar ranzig behang.’ De omgeving -op zijn vrouw en kinderen na- wordt geen enkel moment in bescherming genomen. Zie de beschrijving van dit telefoongesprek: ‘John? Met Charlie. Hoe is het ermee? Och, gaat. Ik heb kanker.’

Diamond wijdt de lezer in in zijn eigen kankervocabulaire. Hij spreekt over zijn kankergrappenboek (‘Ben je afgevallen? Ja, kanker. Een prima dieet.’) en legt uit wat een knobbelmetaforenschaal is. ‘De tumor en het omliggende weefsel bleken zo groot als een golfbal te zijn, hetgeen betekende dat we nu in een geheel nieuwe knobbelmetaforenschaal zaten.’ Diamond komt in de sportknobbelschaal terecht. Eerst was de tumor nog zo groot als een mandarijn, en spraken zijn behandelaren nog in termen uit de fruitknobbelschaal.


De indruk mag niet gewekt worden dat ‘K. Omdat ook lafaards kanker kunnen krijgen’ alleen maar een grappig (geschreven) boek is. Absoluut niet. Tegen het einde van het boek somt Diamond bij voorbeeld puntsgewijs alle symptomen van dat moment op, van zowel zijn kanker als zijn radiotherapeutische behandeling. Het lachen vergaat je onmiddellijk. Diamond geeft kanker het bekende en realistische ‘jeugdbende-beeld’: de tumor moordt en plundert willekeurig in het rond, de aftakeling is gigantisch.

Serieusheid is ook troef als Diamond –hij is tenslotte journalist- op het taalgebruik rondom kanker ingaat. Hij haat de oorlogstaal die vaak gebezigd wordt: ‘Mijn antipathie tegen die strijdlustige taal heeft niets te maken met pacifisme, en alles met een afkeer van het soort moraliteit dat zegt dat alleen zij die hard vechten tegen hun kanker het zullen overleven – of het verdienen te overleven – hetgeen automatisch inhoudt dat de mensen die het gevecht verliezen dat verdiend hebben.’ Op eenzelfde doorgronde manier neemt hij de wereld van de alternatieve therapieën onder de loep. ‘Laat ik dan nu, in het vijfde hoofdstuk, maar vertellen dat ik over de alternatieve geneeskunde ongeveer hetzelfde denk als de paus over het dronken worden van communiewijn en dan een stel nonnen aanranden.’

Egodocumenten lezen is indirect mensen ontmoeten. Lezers kunnen Diamond’s rauwe taalgebruik grof en onbeleefd vinden, zijn mening verafschuwen, en zijn persoon op basis daarvan afkeuren. Zij zullen weinig plezier maar vooral ergernis aan het boek beleven. Wie geen bezwaar heeft om over de keiharde werkelijkheid van kanker in even keiharde bewoordingen te lezen, leest ‘K. Omdat ook lafaards kanker kunnen krijgen’ waarschijnlijk in snel tempo uit. (Rob Bruntink)




[ terug ]