Enkeltje hemel

Een zware dag op het werk, een bonkende hoofdpijn en het bericht dat mijn vriendje B onderweg was naar zijn laatste station... Aangekomen in het verpleeghuis, liep ik direct door naar zijn kamer, maar trof daar niemand. Even sloeg de schrik me om het hart, hij zou toch niet nu al....? Dat kan niet, ik had beloofd afscheid van hem te nemen, hij mag nog niet dood zijn!
Bij navraag bleek dat ze hem deze ochtend op de "separeer" hadden gelegd. In de separeer ga je dood, meestal binnen vierentwintig uur. Dit is waar we het voor kerst over hadden gehad. Dit is het eindstation. Die dag maakten we grapjes over de vertraging die treinen tegenwoordig hebben en hij hoopte dat zijn trein het eindstation snel zou bereiken. Hij was klaar voor de reis, zijn laatste reis.
Zachtjes klop ik op de openstaande deur en steek mijn hoofd om het hoekje van het dichte bedgordijn en daar ligt hij, mijn vriendje B. Hij strekt zijn armen naar me uit en fluistert: "Zussie..." "Hey, vriend B" zeg ik zoals ik dat altijd deed. Ik geef hem zacht een kus op zijn wang en voel hoe klam hij is. "Gaat het een beetje?", vraag ik hem en hij richt zijn ogen naar boven. Zijn eens zo helderblauwe ogen zijn een beetje troebel. De zuurstoffles naast hem borrelt rustig. Zijn ademhaling is onrustig. Ik kan hem nauwelijks verstaan en leg mijn hoofd zo dicht mogelijk bij zijn gezicht. " Heb je pijn?" Hij schudt van nee. "Ik kom nog even bij je zitten, is dat goed?" Hij knikt en ik pak zijn hand. Soms voel ik hem even zacht knijpen, maar de kracht is weg. De verpleeghuisarts en zijn dochter komen binnen. Samen praten ze over over de morfine. "Zal ik even weggaan?" hoor ik mezelf vragen, maar B laat mijn hand niet los. "Nee hoor, blijf maar gewoon hier. Fijn dat je hier nog even bent, vorige week hadden we het toevallig nog over je, he pa? Over je vriendin zuster paardenstaart." B lacht... "En als je vriendin er is, dan is het goed he?!" Ze geeft me een knipoog en enigszins geomotioneerd zegt ze: "Kijk, je kan hem zelfs nu nog laten lachen" Ik slik de brok in mijn keel snel weg en kijk naar hem. Het kost hem duidelijk veel moeite zijn ogen open te houden en af en toe vallen ze even dicht. Niet lang, want de arts wil weten wat hij nu zelf wil. Hij legt uit dat de benauwdheid opgelost kan worden, maar dat hij door die medicatie wel suffer wordt. B weet het niet. Hij wil er even over nadenken. " Wat denk jij ervan?" vraagt hij me als de dokter weg is. En wederom weet ik het niet. We hebben het er al zo vaak over gehad; ik kan niet voor hem beslissen, hij moet zeggen wat hij wel en niet wil.
Hij weet het... Wederom kijkt hij naar boven en noemt de naam van zijn overleden vrouw. "Wil je daar naartoe?" vraag ik hem en hij knikt. "Het is een rommeltje daarboven" mompelt hij en blijft zijn blik strak gericht houden op het plafond. Ik vraag me af wat hij ziet en zou het hem willen vragen, maar het is te vermoeiend voor hem om te antwoorden en dus vraag ik niets. Wanneer de rest van de familie binnenkomt en zich om zijn bed verzamelen, is voor mij het moment om te gaan... "Lig je lekker? Kan ik nog wat voor je doen?" Ook nu vraag ik hem dat, zoals ik het al ontelbare keren heb gevraagd voordat ik wegging. Ik snotter even en zeg snel dat ik nu ineens een beetje verkouden begin te worden. Terwijl de familie in het kamertje naast de separeer koffie gaat halen neem ik afscheid van vriend B. "Je trein komt eraan vriendje, stap maar in, ga maar. Ik heb een enkeltje hemel voor je besteld...."