Twee grote mannen

Ze was heel klein, tenger en bescheiden. Als ik aan haar terug denk dan zie ik haar bleek en uitgemergeld liggen. Serieus, wat zwaarmoedig soms sereen mooi. Ze was oud, haar huid mooi glad. In haar toilettasje zat alleen maar een kam en een tandenborstel.
Haar zoon kwam elke dag. Hij groette beleefd als hij iemand tegen kwam maar was niet gemakkelijk in staat een praatje te maken. Toen hij wat gewend was kwam hij wel eens wat vragen en soms in de keuken koffie drinken. Hij had een zeer hechte band met zijn moeder. Zijn vader was al jaren geleden overleden. Hij had geen broers of zussen. Wel een vrouw die als een dochter voor zijn moeder was.
Ze was erg misselijk, moest vaak overgeven. Het duurde een hele poos voordat we dat een beetje onder controle hadden, en ze was moe, zo moe. Ze lag daar maar stilletjes zonder te klagen, altijd vriendelijk.
Ik heb haar vaak verzorgd zonder dat we spraken. We luisterden naar religieuze muziek. Daar hield ze van. Ze genoot van het aanraken. Ik gebruikte meer olie dan water.
Ik zag verdriet in haar ogen. Ik zag haar ook naar iets kijken. Ik draaide me om maar kon eigenlijk niets ontdekken. Ik vroeg “waar kijkt u naar?”. “Naar die twee mannen” was het antwoord. Ik vroeg door. Het waren vriendelijke mannen. Heel groot. Ze waren al zo vaak bij haar geweest. Dat vond ze altijd fijn, maar nu was ze verdrietig. Die mannen waren daar om haar mee te nemen, maar dat deden ze maar steeds niet. Ze wilde zo graag, maar iedere keer gingen ze zonder haar weg. Ze werd er zo moedeloos van, ze kon er niet meer tegen.
Ik was verbaasd over mezelf. Ik heb deze vraag al zo vaak aan stervende mensen gesteld en dan voel ik toch altijd weer en schok als ik zo’n antwoord krijg. Soms zijn mensen bang. Dan vraag ik, of ik dat wat ze zien, mag weg jagen. Ik doe het raam open en verzoek het ongewenst aanwezige, vriendelijk doch zeer beslist, om te vertrekken. Het komt regelmatig voor dat de gast daarna opgelucht in de kussens zakt. Ik vraag later wel of ‘ze’ niet terug gekomen zijn. Soms gaat het niet zo eenvoudig en geven we medicijn tegen verwardheid.
De meningen zijn er verdeeld over. Komt dit ‘zien’ door zuurstoftekort of worden stervenden ‘opgehaald’? Wat het ook is, ik neem het serieus. Als het aanwezige aangenaam is laat ik het zo en als het ongemakkelijk of beangstigend is probeer ik er wat aan te doen.
Deze vrouw heeft lang moeten wachten. Een poosje was de situatie bijna niet dragelijk voor haar. Ik vroeg of we iets konden doen om haar last te verlichten. Eigenlijk dacht ik aan een beetje morfine maar ze vroeg “wil je voor me bidden?” Gelukkig ben ik regelmatig in gesprek met de Eeuwige, ik beloofde graag dat te doen. Ze keek me dankbaar aan.
Haar schoondochter zat altijd heel dicht bij haar. Later had ze haar stoel wat verder weggezet. Ze had het gevoel dat dat beter paste. Ik vond dat heel fijngevoelig, begreep ook goed waarom ze dat deed. Als ik er woorden aan zou willen geven zou ik zeggen ” als iemand die je dierbaar is gaat sterven is het heel belangrijk dat je diegene toestemming en ruimte geeft om te gaan”.